Edelhert
Klasse : zoogdieren Orde : evenhoevigen onderorde :
Herkauwers Familie : cervidae Soort : cervus elaphus
Biotoop
Als biotoop verkiest roodwild uitgestrekte, rustige bossen, overwegend met
loofhout maar ook naaldhout, liefst afgewisseld met open vlakland
(landbouwgebieden !). In bergstreken komen edelherten voor tot aan de boomgrens.
In Schotland leven ze in de boomloze, met heide en struiken begroeide Highlands,
ver van elke dekking.
Uiterlijke kenmerken
Een volwassen mannelijk hert bereikt een schofthoogte van 130 cm en een
lichaamslengte van 200 cm. Roodwild heeft een duidelijk zichtbare staart, tot 15
cm lang. Het lichaamsgewicht van een hert bedraagt 120 à 180 kg (levend op
voet). Gedurende de bronsttijd nemen ze praktisch geen voedsel tot zich maar
zijn ze wel enorm actief. Het gewicht kan dan sterk dalen. Een hinde
(vrouwelijk edelhert) weegt ongeveer 70 kg. Een smaldier (hinde in haar tweede
levensjaar, voor ze haar eerste kalf gezet heeft) bereikt een gewicht van
ongeveer 60 kg. Het zomerkleed van het roodwild is inderdaad opvallend
roodbruin van kleur, met een duidelijk blekere, roestkleurige spiegel. Het
dichtere winterhaar is meer donker- tot grijsbruin. Het verharen gebeurt in
de maanden april en mei en opnieuw in de maanden september en oktober. Vanaf de
bronsttijd vertoont het hert lange, donkere haren onderaan de hals, de
zogenaamde bronstkraag of bronstmanen.
Levenswijze
Roodwild leeft in groepsverband ( roedels) gescheiden volgens het geslacht.
Hinden, kalveren en jonge herten (in hun tweede levensjaar) verenigen zich tot
een kaalwildroedel. Die wordt aangevoerd door een ervaren leidhinde. Volwassen
herten houden zich samen in kleinere groepjes op. Zeer oude herten worden
dikwijls eenzaten. Als echte cultuurvlieders blijven ze erg schuw en zeer
gevoelig voor verstoring. Overdag blijven ze gewoonlijk in dichte dekkingen
verscholen. Tegen de avond gaan ze uittreden op velden of kaalslagen. Een
volwassen dier heeft dagelijks 10 à 12 kg groenvoeder nodig. Tijdens de zomer
en de bronsttijd neemt roodwild graag een modderbad (zoelen).
Voortplanting
Vanaf september ontstaat er onder het roodwild een geleidelijk toenemende
onrust en activiteit. De herten die tot dan samen optrokken, verlaten hun
‘mannenclub’ en zoeken de bronstplaatsen op. Zo’n bronstplaats is meestal een
open plek, kaalslag of weide in een open hoogstammig bos in de buurt van de
dekkingen waar het kaalwild verblijft. Het zijn vaak van jaar tot jaar dezelfde
plaatsen. Het hoogtepunt van de bronst valt meestal in de laatste week van
september. Naargelang van de wildstand en de geslachtsverhouding kan een sterk
hert, het zogenaamd plaatshert, een bronstroedel van verscheidene hinden en
smaldieren bijeendrijven. Zeer oude, heimelijke herten stellen zich soms
tevreden met één enkele hinde. Een bronstroedel wordt hardnekkig verdedigd tegen
rivaliserende bijherten. Door uitdagend burlen, een indrukwekkend geloei,
probeert het plaatshert de anderen te ontmoedigen. Lukt dat niet, dan kan het
tot min of meer heftige bronstgevechten komen waarbij de overwinnaar het
bronstroedel overneemt. De meeste bronstactiviteit valt in de vroege
morgenduren waar te nemen. Vooral bij koud en helder weer is de bronst zeer
hevig. Een bronsthert zoelt frequent in een zelf met de voorlopers
uitgegraven bronstkuil, slaat met zijn gewei in de grond of de begroeiing,
urineert dikwijls (vandaar een slecht riekende, donkere bronstvlek op de
onderbuik) en neemt die paar weken vrijwel geen voedsel op. Na een dracht van
8 maanden wordt in mei/juni een kalfje gezet. Het vertoont het typische
bambi-achtige vlekkenpatroon op de rug en zal zich de eerste twee weken bij
gevaar onbeweeglijk drukken. Tegen het einde van de zomer zijn de kalvervlekken
verdwenen. De voor roodwild kenmerkende familieband is: hinde/kalf/smaldier
of jaarlinghert. In die volgorde verplaatsen ze zich ook en meestal treden ze zo
de dekking uit.
Geweivorming
Bij een mannelijk kalf ontstaan rond de tiende levensmaand de rozestokken, de
benige uitgroeisels van het voorhoofdsbeen. Deze zullen later de basis vormen
voor het eigenlijke gewei. Als het kalf ongeveer 14 maanden is (juni), begint het gewei te groeien. Zoals bij alle
hertachtigen is dit beschermd en gevoed door de basthuid. Dit eerste
bastgewei wordt gewoonlijk pas in september geveegd. Het blankgeveegd gewei zal
snel en donkere kleur krijgen onder invloed van oxidatie. Het eerste gewei
bestaat meestal uit twee onvertakte spiesen, zonder rozen. Toekomstige
kapitaalherten vertonen zeer zelden al een vertakking of zelfs al een aanduiding
van kronenvorming. Goede jaarlingspiesers moeten spiesen dragen die minstens
even hoog zijn als hun oren, met stompe uiteinden. De eerste kop wordt in de
daaropvolgende lente (mei) afgeworpen waarna het tweede gewei onmiddellijk
begint te groeien. Het tweede gewei wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van
rozen en wordt meestal al in augustus geveegd. Het kan nog steeds bestaan uit
twee lange spiesen (met rozen) maar meestal is het vertakt tot een gaffel, zes-
of achtendergewei. Toekomstherten van de tweede kop kunnen zelfs al aan één of
beide stangen een kroon dragen. De verschillende takken of enden aan een
geweistang worden, van onder naar boven, als volgt aangeduid. oogtak – ijstak –
middeltak – kroon(= 3 enden) of gaffel (= 2 enden). De wolfstak maakt deel uit
van de kroon.
Het aantal enden geeft niet de minste aanduiding over de leeftijd van een
hert !! | Hunting-Quiz
U bent nog niet ingelogd. Gelieve u eerst in te loggen!
|