Het everzwijn
Klasse : zoogdieren Orde : evenhoevigen Familie : suidae Soort :
sus scrofa
Biotoop
Wilde zwijnen zijn echte bosbewoners. Enkel in grote, rustige boscomplexen,
afgewisseld met landbouwzones, voelen ze zich thuis. Dergelijke biotopen vinden
we hier nog enkel in de Ardennen en op de Veluwe, waar hun verspreidingsgebied
samenvalt met het roodwild. Ze zijn weinig plaatsgetrouw. Op één nacht
trekken ze soms kilometers ver weg. Als dan de eerste wildschade gemeld wordt,
zijn ze dikwijls al ergens anders gevestigd. Heel graag gebruiken ze een
moerassige of modderige plek in het bos om er te zoelen. Het modderbad dient
niet zozeer als afkoeling, het is een manier om lastige huidparasieten kwijt te
geraken. Naast een zoelplaats staan meestal een paar ‘schuurbomen’ waarvan de
schors tot ‘varkenshoogte’ weggewreven’ is.
Uiterlijke kenmerken
Bij een toevallige ontmoeting in de vrije natuur zal zelfs een gewone
wandelaar het wild zwijn niet met een andere diersoort verwarren. Qua
lichaamsbouw lijkt het enorm goed op een tam huiszwijn. Echter in tegenstelling
tot deze tamme variant is het everzwijn een uiting van één en al oerkracht en
wildheid. Het staat hoog op de poten. Vooral de massieve voorhand is
sterk ontwikkeld. De kegelvormige kop is van sterke kaken voorzien en uitstekend
geschikt om de bodem om te woelen en te breken, op zoek naar allerlei eetbaars.
De kleine ogen liggen diep in de kop. De beweeglijke, rechtopstaande oren zijn
vrij klein. Bij oudere exemplaren, vooral mannelijke, is de huid ter hoogte van
de schouders taai en dik en vormt het zogenaamde schild. De prenten van
zwartwild zijn onmiskenbaar doordat bijna altijd de bijtenen mee afgedrukt
worden waardoor een typische trapeziumvorm ontstaat. De rechte staart blijft
bijna voortdurend in beweging. Bij rustig voedsel opnemen pendelt hij lustig
heen en weer. Bij opwinding of alarm wordt hij stijf omhoog gestoken.
Leeftijdsklassen
De zeug werpt meestal in het voorjaar (april) haar biggetjes (frislingen).
Hun wollige vacht is geelbruin met blekere lengtestrepen. Naarmate de zomer
vordert, groeien de donkere winterharen door. Geleidelijk aan verdwijnen de
strepen en de bruingele jeugdkleur wordt naar achteren teruggedrongen. Eén
april wordt in het algemeen als datum aangenomen waarop de frislingen overgaan
naar een oudere klasse, die van de overlopers. Een overloper is dus een jong in
zijn tweede levensjaar. In die periode valt de voornaamst groei- en
gewichtstoename zodat zwartwild na dat tweede levensjaar als vrijwel volwassen
kan worden beschouwd.
Voortplanting
Keilers ouder dan twee jaar worden eenzaten. Ze vermijden zoveel mogelijk de
rumoerige frisling- en overloperrotten. Hoe ouder ze worden, des
te achterdochtiger en voorzichtiger ze zijn. Overdag verblijven ze in een
rustige, zeer dichte dekking. Tijdens de ranstijd (eind november tot begin
januari) verliezen ze hun voorzichtigheid om de zeugen, die dan bronstig zijn,
op te zoeken. Het zijn geen zachte minnaars: er wordt heel wat afgeslagen en
geduwd waarbij de zeug soms luid gilt. Als twee ongeveer evenwaardige keilers
elkaar in die periode ontmoeten, gaan ze elkaar onstuimig te lijf door met de
koppen te slaan. Hierbij moet het dikke schouderschild de scherpe
slagtanden (geweren) zoveel mogelijk opvangen. De dracht duurt
gemiddeld 115 dagen. Een hoogdrachtige zeug zal zich tegen het einde van maart,
soms ook wat vroeger, van de rotte van haar dan bijna éénjarige frislingen
afzonderen om een rustige, veilige dekking op te zoeken. Daar richt ze zich
onder wat dichte sparren of doornstruiken een ruime ketel in, bekleed met
takken, mos en varens. Hierin werpt ze haar kleine frislingen van amper 1 kg
(gemiddeld 5 per worp). De biggetjes blijven daar de eerste week. Pas daarna
ondernemen ze geleidelijk aan verdere uitstapjes. Piepend en knorrend volgen ze
hun moeder, voortdurend bedelend om melk. De zeug is een goede moeder,
voortdurend op haar hoede. | Hunting-Quiz
U bent nog niet ingelogd. Gelieve u eerst in te loggen!
|