browser icon
You are using an insecure version of your web browser. Please update your browser!
Using an outdated browser makes your computer unsafe. For a safer, faster, more enjoyable user experience, please update your browser today or try a newer browser.

Valkerij Woordenboek

Hieronder een volledig Valkerij Woordenboek.

Of in print format.

Aanwachten:

wanneer men de jachtvogels boven de honden, laat vliegen. – Voler d’amont.

Aas:

het voer der jachtvogels. – Gekröpf.

Aasbus:

een blikken busje met gehakt vlees gevuld. – Boite au pât.

Aasklauw:

de duim of achtervinger van de vogel. – Avillon.

Afhalen:

het vel van klein wild en schadelijk gedierte aftrekken. – Streifen. Dépouiller.

Afhuiven:

de vogel de kap afnemen. – Abhauben. Déchaperonner.

Azen:

de jachtvogels voedsel geven.-Kröpfen. Paître.

Baillet:

de boomvalk. – Baumfalke. Hobereau.

Bel:

een rond belletje, dat men de vogel aan de linkerpoot vastmaakt. – Falkenschelle. Grelot.

Bel-ijzer:

een ijzeren priem, waarmede men het riempje, waaraan de bel bevestigd is, doorsteekt.

Betten, Beiten:

met edele vogelen ter jacht gaan. – Beitzen. La chasse au vol.

Binden:

wanneer de jachtvogel het wild vangt en vasthoudt. – Schlagen. Lier.

Blaet:

zie Lanner.

Blaetken:

zie Lanneret.

Brauwen:

zie breeuwen.

Breeuwen:

de vogels de oogleden, door middel van naald en draad, samenhechten. – Blenden. Ciller.

Breil:

een smal riempje, waarmee men de jachtvogel het bovendeel van de rechtervleugel samenbindt, om hem te doen stil zitten. – Bride.

Broek:

het onderdeel van het achterlijf der jachtvogels. – Brayer.

Cagie:

het vierkant raam of de berrie, waarop de jachtvogels gedragen worden. – Trage. Cage.

Cagiedrager:

de valkenierknecht, die de cagie draagt. – Portecage.

Ciseel:

de groote slagpennen der jachtvogels. – Penne. Cerceau.

Dekvederen:

de twee middelste pennen van de staart der jachtvogels. – Decke. Couvertures.

Draal:

een koperen wartel aan het einde der schoenen, waardoor de veter gestoken wordt. – Vervelle.

Edele vogels:

noemde men voorheen alle soorten, die tot de jacht gebruikt werden.

Fristfrast:

een duivenvleugel, dienend om de jachtvogel de veren glad te strijken.

Geertersel:

het mannetje ven een valkensoort uit Noorwegen. – Tiercelet de gerfaut.

Geervalk:

het wijfje van deze soort. – Geierfalke. Gerfaut.

Gewel:

pillen of balletjes van werk en katoen, die men de jachtvogel ingeeft om hem te zuiveren. – Gewölle. Curée.

Haggerd:

een wild gevangen jachtvogel, die reeds geruid heeft. – Wildfang. Hagard.

Handwerk:

de klap- of tuinekster (klawier), die bij het vangen van de jachtvogels gebruikt wordt.

Havik:

het wijfje van de havik. – Habicht. Autour.

Havikkier:

noemde men oudtijds degene, die de haviken en sperwers africhtte en verzorgde. Zie valkenier.

Haviktersel:

het mannetje van de havik. – Tiercelet d’autour.

Hongermalie:

een soort van insnijdingen, die, door slechte voeding, aan de baarden van de pennen der jachtvogels ontstaan. – Hungermaal. Penne affamée.

Horst:

de nesten van alle jachtvogels. – Horst. Aire.

Huif:

de kap, die men de jachtvogel opzet. – Haube. Chaperon.

Inkoppelen:

zegt men van de valk, die een stuk wild aangrijpt, terwijl het reeds door een anderen wordt vastgehouden.

Kap:

zie huif.

Klauwen:

de vingers der poten van de jachtvogels. – Finger. Serres.

Klagen:

het kermen van het haas en het konijn, wanneer ze aangegrepen worden of zich in angst bevinden. – Klagen.

Kortveter:

Een riem, die door de draal wordt gestoken, om de vogel vast te houden. – Kurzfessel. Courtrier.

Krop:

Een hoeveelheid voedsel die men de jachtvogels op eenmaal geeft. – Gorge.

Lange veder:

de langste slagpen der jachtvogels. – Lange penne. La longue.

Langveter:

een riem, die even als de kortveter gebruikt wordt, doch langer is.- Langfessel. Longe.

Lanner:

het wijfje van de lanier. – Blaufuss. Lanier.

Lanneret:

het mannetje van dezelfde soort.- Lanneret.

Lentenier:

een jonge jachtvogel van het vorig jaar, die nog niet geruid heeft, – Antanaire.

Loer:

een soort van klos, van duivenvleugels voorzien, die opgeworpen wordt om de jachtvogel terug te lokken. – Federspiel. Leurre.

Lokdraad:

zie lokken. – Filière.

Lokken:

de jachtvogel met de loer, of een levende duif aan de lokdraad bevestigd, aanlokken. – Reclamer.

Luijer:

zie loer.

Mesken:

de kleine slagpennen aan de duim der vleugels van de jachtvogels. – Aileron.

Mosket:

het mannetje van de sperwer. – Emouchet.

Muit:

het vertrek, waarin de jachtvogels, gedurende het ruien, gehouden worden. – Mause. Mue.

Muiten:

het ruien of van vederen verwisselen der jachtvogels. – Mausern. Muer.

Muiter:

een jachtvogel, die, in de gevangen staat, voor het eerst geruid heeft. – Mué.

Nesteling:

een jachtvogel, die jong uit het nest is genomen. – Nestling. Niais.

Ontbreeuwen:

de gebreeuwde oogleden der vogels weder losmaken. – Déciller.

Ophuiven:

de jachtvogel de huif opzetten. – Auf hauben. Chaperonner.

Opschieten:

de jachtvogels van de hand omhoog laten vliegen. – Werfen. Jeter.

Opwerpen:

zie opschieten.

Passagier:

de gewone of slechtvalk. – Wanderfalke. Pelerin.

Pluim met pluim:

zie betten.

Reigerpijp:

twee door een draad samengehouden stukjes vlierhout, die, bij het africhten der jachtvogels, aan de bek der reigers worden gestoken. – Etui.

Rek:

de dwarsstangen, waarop de jachtvogels, in de valkenkamer, vastgebonden zitten. – Perche.

Reushuif:

een huif van zacht leder, zonder top. – Reüshaube. Chaperon de rust.

Rood:

een jonge jachtvogel, die nog niet geruid heeft. – Sors.

Schoenen:

de lederen riemen, die om de poten der jachtvogels zijn vastgemaakt, en waaraan de draal is bevestigd. – Geschuhe. Jets.

Schoenpen:

een houten pin, waarmede de schoenen, bij het aandoen, worden doorstoken.

Seeg maken:

zie spinnen.

Slaan:

zie binden.

Smelleken:

de steenvalk. – Steinfalke. Emerillon.

Smeltsel:

de uitwerpselen der jachtvogels.- Schmeiss. Emeut.

Sperwer:

het wijfje van de sperwer. – Sperber. Epervier.

Spinnen:

het eerste gedeelte van de africhting der roofvogels. – Apprivoiser.

Steekhuif:

de huif met het top versierd, zie huif.

Stuk:

een kippen- of duiven vleugel, waaraan men de jachtvogellaat trekken. – Tiroir.

Takkeling:

een jonge jachtvogel, die uit het nest begint te vliegen. – Astling. Branchîer.

Taleken:

zie tersel.

Tersel:

het mannetje van alle jachtvogels, met uitzondering van de baillet, het smelleken en de sperwer. – Terz. Tiercelet.

Top:

de vederbos op de huif. – Trosch. Cornette.

Treinen:

het africhten der jachtvogels. – Abtragen. Affaîter.

Trekken:

het trekken der jachtvogels aan het stuk. – Tirer.

Trossen:

wanneer de jachtvogel het gevangen wild tracht weg te dragen. – Charrier.

Valkenkamer:

het vertrek, waarin de jachtvogels bewaard worden. – Perchoir.

Valkenier:

iemand, die de kunst bezit om jachtvogels tot het vluchtbedrijf af te richten en te verzorgen. – Falkenier. Fauconnier.

Valkenierstas:

een groen lakensche tas, die met een’ riem om het lijf wordt gegespt, waarin de valkenier het ter jacht benodigde opbergt. – Falkeniertasche. Fauconnière.

Valkenzak:

een linnen lap, van een gat voorzien om de kop door te steken, waarin men de wild gevangen jachtvogel wikkelt.

Vangklauw:

de middelvinger der jachtvogels. – Avillon.

Veer met veer:

zie betten.

Vliegen:

zie betten.

Vliegdraad:

een lange draad, waaraan men jachtvogels vasthoudt, zoo lang ze niet volkomen zijn afgericht. – Créance.

Vluchtbedrijf:

zie betten.