browser icon
You are using an insecure version of your web browser. Please update your browser!
Using an outdated browser makes your computer unsafe. For a safer, faster, more enjoyable user experience, please update your browser today or try a newer browser.
U bent hier: Hunting.be > Jacht > Wapens > Hagelgeweren

Hagelgeweren

Hoe kwam men tot de verschillende kalibers voor gladloopgeweren?

In het begin van de zeventiende eeuw bepaalden de Engelsen de kalibers van gladloopgeweren op de volgende manier: Als men van één Engels pond lood ( 453,6 gram) twaalf ronde kogelbollen met precies dezelfde diameter maakte, zonder een rest aan lood, dan kreeg de loop waar die bollen in pasten, een waarde van 12, zeg maar ‘kaliber12’ toegewezen. Zo maakten ze eveneens kogelbollen waarvan er maar acht of tien uit één pond lood kwamen, respectievelijk een ‘kaliber 8’ of een ‘kaliber 10’. Die bollen waren dus heel wat dikker en zwaarder dan die van het ‘kaliber 12’.

Maakte men kleinere loden bollen waarvan er precies zestien uit één pond lood gemaakt konden worden, dan sprak men van het ‘kaliber 16’. Zo ging men verder met kleinere hagelbollen te maken in de kalibers ‘20’, ‘28’ ‘32’, die allemaal in het leger hun toepassing vonden.

Gladloopgeweren

Jachtgeweren met een gladde loop worden overwegend gebruikt voor de jacht op kleinwild en waterwild en het verschieten van hagelpatronen.
Bij drijfjacht op ever of wildzwijn worden ze ook sporadisch ingezet. Dan worden loden gladloopgeweerkogels (brenneke) verschoten.
Jachtgeweren bestaan in vele modellen en worden onderverdeeld in twee hoofdgroepen: enkellopen en dubbellopen.
Een geweer is uit vier hoofdonderdelen opgebouwd

1. De lopen

De lopen hebben aan de achterkant patroonkamers en aan de loopmond (voor) eventueel een choke of wurging. Op of tussen de lopen zijn primaire richtmiddelen aangebracht, bestaande uit bies + korrel.

2. Het sluitstuk of slot

Het sluitstuk heeft een opspan- en afvuurmechanisme, trekkers en een veiligheidsmechanisme.

3. De lade ( het voorhout)

De lade bevat meestal het hulsuitdruk- of ejectormechanisme en de erbij horende opspannokken.

4. De kolf

De kolf draagt het sluitstuk met zijn afvuurmechanisme, en laat toe het geweer te schouderen en steun te geven bij het afvuren. De kolf moet van een zeer goede houtkwaliteit zijn (meestal notenboom) en daarbij zéér goed in het sluitstuk inpassen. Hij moet immers elke terugstoot en alle andere krachten bij het schieten opvangen. De kolf is bij het schouderen het enige functionele richtorgaan.
Is de kolf precies aan het postuur van de schutter aangepast,dan kan die zelfs impulsief in een reflex, snel en nauwkeurig, schieten. Zo ’n maataanpassing heeft betrekking op de lengte van de kolf, de helling van de kolfneus en de kolfhiel en de schranking (zijwaartse afwijking) aan de kolfhiel en kolfneus.

De loop

De loop is in principe een gewone gladde buis vervaardigd uit staal. Inwendig aan de achterzijde heeft de loop een patroonkamer, terwijl de choke (wurging) zich vooraan in de loopmond bevindt. Uitwendig dragen zij meestal een bies (richtspoor) en een richtkorrel. Lopen variëren in lengte van 60 centimeter tot 75 centimeter.

1. Enkelloop

Gladlopen met een enkele loop kunnen voorkompen als:
a. Enkelschot = meestal als kiploop en eventueel als grendelslot, valblok, schuifblok of rolblok.
b. Meerschot = met de hand repeterend ( a.grendel, b. hefboom, c. pomp) of zelfladend
(halfautomaat of semi –automaat)

2. Tweeloop: twee schoten

a. Met naast elkaar geplaatste lopen (juxtaposé)
b. Met boven elkaar geplaatste lopen (superposé)

Deze twee geweertypen worden overwegend als kiploop gebouwd: Dit wil zeggen dat je de geweren kan open scharnieren om te laden en te ontladen.
Er bestaat geen verschil in trefnauwkeurigheid tussen geweren met naast elkaar of boven elkaar geplaatste lopen, als de lopen met dezelfde nauwkeurigheid samengevoegd en afgewerkt zijn.

In de loop zijn er twee belangrijke onderdelen: de patroonkamer en de choke.

De patroonkamer

De patroonkamer bevindt zich aan de achterkant – dus tegen het sluitstuk van het wapen – en is ruimer geboord dan de loop zelf.
De geweerpatroon wordt erin gestoken en afgevuurd.
De patroonkamer heeft merkelijk dikkere wanden dan de loop zelf. Ze moet weerstand kunnen bieden aan de plotseling enorme gasdruk. De patroonkamer sluit door een kegelvormige aanzetkonus aan op het cilindrisch gedeelte van de loop of de ziel.
Die konus- of trechtervorm vergemakkelijkt de doorgang van de samengeperste hagelkolom en gasafsluitingsprop vanuit de huls naar de ziel van de loop.
Deze vernauwing van de loopmond staat ook met het cilindrisch loopgedeelte in verbinding door een min of meer lange overgangskonus of trechter naargelang het fabrikaat.

Choke types

De Choke

De ‘choke’ dient om de hagelbundel de gewenste verdichting of spreiding te geven op een bepaalde afstand voor de geweerloopmond.
De ‘choke’ kan van zuiver cilindrisch ( zonder vernauwing) tot volledige ‘choke’ (full choke) variëren.
Hoe enger de choke, hoe enger de hagelbundel. Een cilindrische loop geeft de breedste spreiding.

De groepering of dekking kan variëren volgens het soort patroon, choke, snelheid en gaafheid van de hagelkorrels afzonderlijk. Misvormde hagel geeft een verder gespreide bundel.

De groepering van de hagelspreiding wordt beoordeeld op de proefschijf. Er wordt geschoten op een proefschijf met een blazoen van 75 cm diameter, op een afstand van 35 meter. De groepering, t.t.z. het aantal trefkorrels in het blazoen, wordt uitgedrukt in procent.

Trap- en skeetgeweren zijn zwaarder gebouwd dan jachtgeweren omdat er vele patronen na elkaar mee verschoten worden. Het hogere gewicht mildert het aanvoelen van de terugstoot.

Skeetgeweren hebben meestal zeer korte lopen waarvan de loopmond verwijd werd ten opzichte van de loopdiameter om een extra brede hagelbundel te verkrijgen ( omgekeerde choke).
Skeetgeweren kunnen met succes gebruikt worden in het bos, b.v. op konijnenjacht.

Het slot of sluitstuk

De trekkers
De trekkers dienen om het opgespannen slagmechanisme door middel van de vingerafdruk vrij te maken waardoor de haan onder de veerdruk vooruit snelt en daarbij met de slagpin het slaghoedje in de patroon ontsteekt.

De trekkers in een geweer moeten zeer fijn afgesteld zijn.
Pruts er dus nooit zelf aan!
Ze mogen niet te hard of te zacht zijn en moeten om veiligheidsredenen een korte dode gang hebben vooraleer hun weerstand overwonnen wordt. Hun drukweerstand bedraagt normaal ongeveer 1,700 kg à 1,800 kg.
De lade (voorhout)
De lade draagt het systeem om het geweer op te spannen en de al dan niet afgevuurde patroonbuis uit de loop te drukken. Ofwel draagt de lade het ejectormechanisme om de afgevuurde patroonhuls uit te werpen.

De niet afgevuurde patroon wordt slechts ongeveer 10 millimeter uitgedrukt zodat ze verder met de hand uit de patroonkamer kan genomen worden.

De kolf

De kolf is het houten onderdeel van een schoudervuurwapen waarop loop en slot tot één geheel gemonteerd zijn. Hij laat de schutter toe zijn wapen te schouderen als steun bij het schieten.

De kolf is zeer belangrijk, zeker bij gladloopgeweren waarvan hij het eigenlijke richtelement uitmaakt.

Hoe kom je te weten of een geweerkolf al dan niet past?
Om te weten of een geweerkolf past, moeten we oefenen. We schouderen het geweer met gesloten ogen, terwijl we op een vooraf bepaald doel richten. Als we het doel altijd boven de richtkorrel terugvinden zonder dat we de hoofd- of de nekhouding op het steunvlak van de kolf moeten veranderen, dan past die. Zoniet moet hij door een bekwaam vakman aangepast worden.

Hagelpatronen

De grote meerderheid van de hagelgeweren hebben patroonkamers met een lengte van 70 millimeter. Die aanduiding vindt men meestal van de kamers , bij de kaliberaanduiding.

Hagel en kruit

Er zijn heel wat merken van hagelpatronen te koop die afhankelijk van het vooropgestelde doel een aantal verschillende patroontypen op de markt brengen. Bijna overal ter wereld worden veel meer sportpatronen verschoten. Ze zijn voor het trap- en skeetschieten doorgaans goedkoper. De reden hiervoor is niet omdat ze ‘minderwaardig’ zouden zijn maar omdat de productie en de afzet heel wat hoger liggen. Vind je de geschikte hageldikte van sportpatronen voor het wild dat je bejaagt, b.v. konijnen, dan kan je die patronen natuurlijk ook voor de jacht gebruiken.

Bij alle huidige hagelpatronen bevat de kruitlading ongeveer twee gram kruit. De tolerantie daarbij is heel miniem.

Zware en lichte hagelladingen

Bij de beoordeling van hagelpatronen is de ontwikkelde snelheid van de hagelkorrels van groot belang. Hoe hoger die snelheid is, hoe meer energie ontwikkeld wordt bij het impact op het doel.
Om praktische redenen bepaalt men de snelheid van de hagelkorrels op 12,5 meter voor de loopmond. Bij de vergelijking van de hagelpatronen stellen we dan vast dat die snelheid op 12,5 meter meestal tussen ongeveer 300 meter en 350 meter per seconde ligt. Op die snelheid is er een beperking; Met toenemende snelheid wordt ook het risico dat hagelkorrels de hagelbundel verlaten, groter. En dat is nu juist niet de bedoeling. De snelheden van 300 meter per seconde en 350 meter per seconde zijn al heel verdienstelijk als je ze even omrekent: 1.080 kilometer en 1.224 kilometer per uur.

De meest gebruikte hagelnummers in kalibers 12- 16- 20 zijn in het begin van het jachtseizoen op patrijs en fazant nr. 7, later nr. 6 en nr. 4. Voor de jacht op eenden, fazanten, houtduiven en hazen komt speciaal hagel nr. 6 in aanmerking.

Vanaf half november is hagel nr. 4 in alle kalibers het meest geschikt voor de hazenjacht.

De prop (stop)

Tussen de kruitlading en de hagellading zit een prop die gasdicht moet afsluiten. Nog altijd worden uitstekende patronen met gevette viltproppen gemaakt. Hoewel ook het plastieken bekertje, dat tegelijk als gasdichte prop dienst doet, wereldwijd wordt gebruikt. Naargelang de constructie van de prop kan er meer of minder hagel in geborgen worden. Er kan een ‘schokdemper’ in voorkomen.
De prop heeft een meervoudige functie in een hagelpatroon. Allereerst moet hij de sneloplopende gasdruk van het ontbrandend kruit op de hagellading overbrengen. Terwijl die in beweging gebracht wordt en door de loop voortgestuwd wordt, moet hij het hete gas hermetisch van de hagellading afsluiten. Proppen die heet gas doorlaten veroorzaken samensmelting van de hagelkorrels, wat gevaarlijke trosvorming en onregelmatige en gevaarlijke schoten veroorzaakt. Een goede en hermetisch afgesloten prop moet ook elastisch en samenpersbaar zijn om te kunnen fungeren als een soort schokdemper. Daardoor helpt de prop de achterwaartse terugstoot van het schot op de schouder van de schutter te milderen.
Een goede prop vervult nog een bijkomende functie door de loop bij ieder schot een eerste poetsbeurt te geven en de afgeschuurde loodaanslag aan de loopwand mee weg te wissen.

Gladloopkogelpatroon

Het gebruik ervan is wettelijk bepaald. Ze zijn enkel aan te raden daar waar het gebruik van de buks ( met patronen met grote draagkracht) te gevaarlijk wordt door een te dichte bebouwing of een te klein revier. Ze zijn een noodoplossing! De gladloopkogel bestaat in verschillende vormen.
De hedendaagse gladloopkogels hebben nu een stompe, of zelfs platte neus en een lichaam met ribben in schroefdraad.

Het is een zwaar projectiel dat met de prop één geheel uitmaakt en waarvan het gewicht bij benadering overeenkomt met het totale gewicht hagel uit een hagelpatroon van 65 mm lang.
Het is veel zwaarder dan om het even welke bukskogel voor getrokken loop. Door dit zwaar gewicht (massa) heeft het toch nog een groot stopvermogen, niettegenstaande zijn lage snelheid.
De snelheid van de gladloopkogel ligt veel lager dan bij de bukskogels!