browser icon
You are using an insecure version of your web browser. Please update your browser!
Using an outdated browser makes your computer unsafe. For a safer, faster, more enjoyable user experience, please update your browser today or try a newer browser.
U bent hier: Hunting.be > Wild & Honden > Grof Wild > Everzwijn

Everzwijn

Klasse : zoogdieren
Orde : evenhoevigen
Familie : suidae
Soort : sus scrofa

Biotoop

Wilde zwijnen zijn echte bosbewoners. Enkel in grote, rustige boscomplexen, afgewisseld met landbouwzones, voelen ze zich thuis. Dergelijke biotopen vinden we hier nog enkel in de Ardennen en op de Veluwe, waar hun verspreidingsgebied samenvalt met het roodwild.
Ze zijn weinig plaatsgetrouw. Op één nacht trekken ze soms kilometers ver weg. Als dan de eerste wildschade gemeld wordt, zijn ze dikwijls al ergens anders gevestigd.
Heel graag gebruiken ze een moerassige of modderige plek in het bos om er te zoelen. Het modderbad dient niet zozeer als afkoeling, het is een manier om lastige huidparasieten kwijt te geraken. Naast een zoelplaats staan meestal een paar ‘schuurbomen’ waarvan de schors tot ‘varkenshoogte’ weggewreven’ is.

Uiterlijke kenmerken

Bij een toevallige ontmoeting in de vrije natuur zal zelfs een gewone wandelaar het wild zwijn niet met een andere diersoort verwarren. Qua lichaamsbouw lijkt het enorm goed op een tam huiszwijn. Echter in tegenstelling tot deze tamme variant is het everzwijn een uiting van één en al oerkracht en wildheid.
Het staat hoog op de poten. Vooral de massieve voorhand is sterk ontwikkeld. De kegelvormige kop is van sterke kaken voorzien en uitstekend geschikt om de bodem om te woelen en te breken, op zoek naar allerlei eetbaars. De kleine ogen liggen diep in de kop. De beweeglijke, rechtopstaande oren zijn vrij klein. Bij oudere exemplaren, vooral mannelijke, is de huid ter hoogte van de schouders taai en dik en vormt het zogenaamde schild.
De prenten van zwartwild zijn onmiskenbaar doordat bijna altijd de bijtenen mee afgedrukt worden waardoor een typische trapeziumvorm ontstaat.
De rechte staart blijft bijna voortdurend in beweging. Bij rustig voedsel opnemen pendelt hij lustig heen en weer. Bij opwinding of alarm wordt hij stijf omhoog gestoken.

Leeftijdsklassen

De zeug werpt meestal in het voorjaar (april) haar biggetjes (frislingen). Hun wollige vacht is geelbruin met blekere lengtestrepen. Naarmate de zomer vordert, groeien de donkere winterharen door. Geleidelijk aan verdwijnen de strepen en de bruingele jeugdkleur wordt naar achteren teruggedrongen.
Eén april wordt in het algemeen als datum aangenomen waarop de frislingen overgaan naar een oudere klasse, die van de overlopers. Een overloper is dus een jong in zijn tweede levensjaar. In die periode valt de voornaamst groei- en gewichtstoename zodat zwartwild na dat tweede levensjaar als vrijwel volwassen kan worden beschouwd.

Voortplanting

Keilers ouder dan twee jaar worden eenzaten. Ze vermijden zoveel mogelijk de rumoerige frisling- en overloperrotten. Hoe ouder ze worden, des te achterdochtiger en voorzichtiger ze zijn. Overdag verblijven ze in een rustige, zeer dichte dekking.
Tijdens de ranstijd (eind november tot begin januari) verliezen ze hun voorzichtigheid om de zeugen, die dan bronstig zijn, op te zoeken. Het zijn geen zachte minnaars: er wordt heel wat afgeslagen en geduwd waarbij de zeug soms luid gilt.
Als twee ongeveer evenwaardige keilers elkaar in die periode ontmoeten, gaan ze elkaar onstuimig te lijf door met de koppen te slaan. Hierbij moet het dikke schouderschild de scherpe slagtanden (geweren)  zoveel mogelijk opvangen.
De dracht duurt gemiddeld 115 dagen. Een hoogdrachtige zeug zal zich tegen het einde van maart, soms ook wat vroeger, van de rotte van haar dan bijna éénjarige frislingen afzonderen om een rustige, veilige dekking op te zoeken. Daar richt ze zich onder wat dichte sparren of doornstruiken een ruime ketel in, bekleed met takken, mos en varens. Hierin werpt ze haar kleine frislingen van amper 1 kg (gemiddeld 5 per worp). De biggetjes blijven daar de eerste week. Pas daarna ondernemen ze geleidelijk aan verdere uitstapjes. Piepend en knorrend volgen ze hun moeder, voortdurend bedelend om melk.
De zeug is een goede moeder, voortdurend op haar hoede.