browser icon
You are using an insecure version of your web browser. Please update your browser!
Using an outdated browser makes your computer unsafe. For a safer, faster, more enjoyable user experience, please update your browser today or try a newer browser.
U bent hier: Hunting.be > Wild & Honden > Overig Wild > Wild Konijn

Wild Konijn

Klasse : Zoogdieren
Orde : lagomorpha
Familie : leporidae
Soort : oryctolagus cuniculus

Biotoop

Het konijn is de enige van de leporidae die een ondergrondse woonplaats heeft. Toch zijn hun poten (lopers) niet speciaal uitgerust om te graven, hoewel het met zijn achterpoten ook heel wat aarde verzet. Konijnen leven in kleine groepen die meestal samengesteld zijn uit acht tot tien dieren; de grootte van de groep hangt af van de densiteit van de totale populatie. Een groep bezet een afgebakend territorium, waarin je het hol of de burcht met heel zijn netwerk aan ingangen of pijpen kan vinden. Een dergelijk territorium strekt zich uit over 2 à 4 hectaren.

Uiterlijke kenmerken

Het loont de moeite het konijn eens heel aandachtig te bekijken Het heeft maar een heel smal mondje : het hoeft zijn mond nooit ver te openen, want het knaagt een raap of wortel af met zeer kleine beetjes. Om goed te kunne knagen zijn er twee aanpassingen voorzien : de bovenlip is gespleten en kan opzij geschoven worden zodat de voortanden vrij spel krijgen. Die voortanden zijn twee beitelvormig “knaagtanden” die altijd opnieuw aangroeien. Om die tanden regelmatig af te slijten moet het konijn voortdurend knagen. Voor konijnen is knagen een levensbehoefte, vandaar de soms grote schade aan gewassen.
Opvallend zijn ook de grote ogen, want een konijn is een nachtdier. Er zijn drie oogleden : één meer dan bij onszelf. Naast het beweegbare boven- en onderooglid, is er aan de binnenhoek van het oog nog een derde, doorzichtig ooglid dat zicht over de oogbol kan uitspreiden om het oog te beschermen. De lange lepelvormige oorschelpen zijn zeer bewegelijk om elk geluid en de richting ervan precies te kunnen opvangen. Een konijn moet altijd op zijn hoede zijn, want het kan zich niet verweren tegen vijanden die hem naar het leven staan. Zijn enige redding is een overhaaste vlucht. Terwijl de oorschelpen elk geluid trachten op te vangen, tasten de ogen het hele gebied af. De oorschelpen bevatten veel bloedvaten en daar komen de konijnenvlooien bloed zuigen. Tevens zorgen de oren voor afgifte van de overtollige lichaamswarmte. Omdat de ogen zijdelings in de kop staan, heeft het konijn een zeer breed gezichtsveld. Een konijn ongezien naderen is onbegonnen werk !
Het konijn heeft een ongelooflijk beweeglijke ruggengraat. Bij het vluchten maakt het daar handig gebruik door ‘haken’ te slaan. In volle snelheid kan het konijn zijn richting veranderen waarbij de achtervolger zijn prooi voorbij schiet.
De kleur van de pels varieert volgens de streek, maar toch minder uitgesproken dan bij hazen. Meestal is de rug een bonte mengeling van grijze, okerkleurige, rosachtige en zwarte haren. De achterkant van de kop of bol is rossig, maar de flanken en de oren zijn effen bruingrijs. De buik, de binnenzijde van de billen en de oogomlijning zijn wit, evenals de staart aan de onderkant. De bruine snorharen zijn maar zwakjes ontwikkeld.
Het gewicht van een volwassen konijn bedraagt gemiddeld 1375g voor een lengte van 42 cm. De mannelijke konijnen zijn over het algemeen groter en zwaarder dan hun vrouwelijke tegenhangers.

Voortplanting

Hoewel het konijn zich potentieel het hele jaar kan voortplanten, stellen we vast dat de voortplantingscyclus in natuurlijke omstandigheden duidelijke seizoensgebonden is. In onze streken begint de voortplanting in februari en eindigt in augustus.
Het heilige getal “zeven” speelt in het seksueel leven een belangrijke rol. Een volwassen moertje is om de zeven dagen bijzonder seksueel aantrekkelijk. Na eerst de honger te stillen wordt er dan bij valavond gepaard. De draagtijd duurt gemiddeld 7 x 4 = 28 dagen. Binnen de 24 uur na het werpen wordt de moer terug bevrucht. Een volwassen konijnenmoer geeft vijf worpen per jaar met telkens 6 à 7 lampreien. In totaal worden er daarvan ongeveer een twintigtal volwassen.
Jonge wijfjes, geboren uit de eerste drachten kunne hetzelfde jaar nog jongen werpen. In de eerst plaats garanderen zij de reproductie op het einde van het seizoen. Vanaf een leeftijd van zes maanden kunnen de wijfjes jongen. De mannetjes zijn pas rijp na negen maanden.
De jongen worden in een speciaal gegraven hol of wentel geworpen, het wijfje voert materieel aan in de bek en mengt er borst- en buikhaar in. Met dat mengsel bekleedt zij de bodem en de wanden van het nest.
Na het jongen stopt het wijfje, als zij het nest verlaat, de uitgang toe met aarde en laat er haar merktekenen, urine en uitwerpselen achter. Deze stoten de andere wijfjes af. De jongen, die naakt en blind geboren worden, blijven ongeveer 3 weken in het nest.