Grof Wild – Damhert

Alles over het damhert.

Damhert

Klasse: zoogdieren
Orde: evenhoevigen
Onderorde: herkauwers
Familie: cervidae
Soort: dama dama

Biotoop

Als biotoop verkiest roodwild uitgestrekte, rustige bossen, overwegend met loofhout maar ook naaldhout, liefst afgewisseld met open vlakland (landbouwgebieden !). In bergstreken komen edelherten voor tot aan de boomgrens. In Schotland leven ze in de boomloze, met heide en struiken begroeide Highlands, ver van elke dekking.

Uiterlijke kenmerken

Een volwassen damhert weegt ongeveer 80 kg. Een damhinde weegt ongeveer zestig kg. De oorspronkelijke wildkleur is geelbruin met witte vlekken op de rug. In de winter is de kleur iets donkerder en zijn de vlekken minder duidelijk. Toch bestaan er , ook in het wild, verscheidene kleurvariëteiten.

Behalve het vlekkenpatroon op de rug valt de vrij lange staart op. De bokken zijn getooid met een schoffelvormig gewei. Een ander typisch kenmerk voor damherten is de manier van voortbewegen. Behalve stap – draf en galop kunnen damherten ook met de 4 lopers tegelijk vooruit springen (cfr. antilope)

Voortplanting

Vanaf september ontstaat er onder het roodwild een geleidelijk toenemende onrust en activiteit. De herten die tot dan samen optrokken, verlaten hun ‘mannenclub’ en zoeken de bronstplaatsen op. Zo’n bronstplaats is meestal een open plek, kaalslag of weide in een open hoogstammig bos in de buurt van de dekkingen waar het kaalwild verblijft. Het zijn vaak van jaar tot jaar dezelfde plaatsen. Het hoogtepunt van de bronst valt meestal in de laatste week van september. Naargelang van de wildstand en de geslachtsverhouding kan een sterk hert, het zogenaamd plaatshert, een bronstroedel van verscheidene hinden en smaldieren bijeendrijven. Zeer oude, heimelijke herten stellen zich soms tevreden met één enkele hinde. Een bronstroedel wordt hardnekkig verdedigd tegen rivaliserende bijherten.
Door uitdagend burlen, een indrukwekkend geloei, probeert het plaatshert de anderen te ontmoedigen. Lukt dat niet, dan kan het tot min of meer heftige bronstgevechten komen waarbij de overwinnaar het bronstroedel overneemt.
De meeste bronstactiviteit valt in de vroege morgenduren waar te nemen. Vooral bij koud en helder weer is de bronst zeer hevig.
Een bronsthert zoelt frequent in een zelf met de voorlopers uitgegraven bronstkuil, slaat met zijn gewei in de grond of de begroeiing, urineert dikwijls (vandaar een slecht riekende, donkere bronstvlek op de onderbuik) en neemt die paar weken vrijwel geen voedsel op.
Na een dracht van 8 maanden wordt in mei/juni een kalfje gezet. Het vertoont het typische bambi-achtige vlekkenpatroon op de rug en zal zich de eerste twee weken bij gevaar onbeweeglijk drukken. Tegen het einde van de zomer zijn de kalvervlekken verdwenen.
De voor roodwild kenmerkende familieband is: hinde/kalf/smaldier of jaarlinghert. In die volgorde verplaatsen ze zich ook en meestal treden ze zo de dekking uit.

Geweivorming

Bij een mannelijk kalf ontstaan rond de tiende levensmaand de rozestokken, de benige uitgroeisels van het voorhoofdsbeen. Deze zullen later de basis vormen voor het eigenlijke gewei. Als het kalf ongeveer 14 maanden is (juni), begint het gewei te groeien. Zoals bij alle hertachtigen is dit beschermd en gevoed door de basthuid.
Dit eerste bastgewei wordt gewoonlijk pas in september geveegd. Het blankgeveegd gewei zal snel en donkere kleur krijgen onder invloed van oxidatie.
Het eerste gewei bestaat meestal uit twee onvertakte spiesen, zonder rozen. Toekomstige kapitaalherten vertonen zeer zelden al een vertakking of zelfs al een aanduiding van kronenvorming. Goede jaarlingspiesers moeten spiesen dragen die minstens even hoog zijn als hun oren, met stompe uiteinden.
De eerste kop wordt in de daaropvolgende lente (mei) afgeworpen waarna het tweede gewei onmiddellijk begint te groeien.
Het tweede gewei wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van rozen en wordt meestal al in augustus geveegd. Het kan nog steeds bestaan uit twee lange spiesen (met rozen) maar meestal is het vertakt tot een gaffel, zes- of achtendergewei. Toekomstherten van de tweede kop kunnen zelfs al aan één of beide stangen een kroon dragen.
De verschillende takken of enden aan een geweistang worden, van onder naar boven, als volgt aangeduid. oogend – ijsend – middelend – kroon(= 3 enden) of gaffel (= 2 enden). Het, niet steeds voorkomende, wolfend maakt deel uit van de kroon.

Het aantal enden geeft niet de minste aanduiding over de leeftijd van een hert !!

Een zeer instructieve film rond het opzetten van een gewei bij het Edelhert. Met o.a. unieke beelden van een hert die een stang verliest, het opzetten van de kop, het vegend, …

Nog geen vergunning?

Jachtexamen.be is de online leeromgeving voor de jacht, de optimale examenvoorbereiding.